| Abonnement Opzeggen - energie - Greenchoice > 28581 meldmeters > 25410 Reacties | home > links > bedrijven > contact > voorwaarden > privacy > startpagina > Media Redactie |
![]() |
| Opzeggen | Proberen | Verlengen | Besparen | Beheren (nieuw!) | Forum |
| gsm opzeggen | Internet opzeggen | Krant opzeggen | Tijdschrift opzeggen | Loterijen opzeggen | Verzekering opzeggen | Energie opzeggen | Overige opzeggen |

Vul het onderstaande formulier in, klik vervolgens op de knop 'Opzegbrief afdrukken'.
De laatste 24 uur zijn er 10953 opzegbrieven gedownload.
Goedenavond,
Vandaag was er een meneer van Greenchoice aan de deur en die vertelde mij ook het verhaal van dat alles hetzelfde blijft maar nu ik dit allemaal lees.
Ik wil ook graag afzien van Greenchoice
groeten,
Tim Otter > 24-08-2010 > 18:18.
Hierbij wil ik de overeenkomst betreffende gas en eletriciteit die per 19 oktober 2009 is ondertekend per direct beeindigen. Er zijn vaste prijsafspraken gemaakt bij Eneco en deze zijn voor langere tijd vastgezet. Wil dan ook niet overstappen naar Greenchoice.
Ik wil ook mededelen dat uw collega die om 22.00 uur s’avonds aan de deur komt verkopen behoorlijk vervelend ervaren is. Had het over een vrijblijvende offerte?
Ik ontvang hiervan graag een bevestiging.
G.Scinardo > 21-10-2009 > 10:48.
ik was in het verkooppraatje getrapt. Verhaal was op zich aardig alleen heeft de verkoper my verteld dat jullie gewoon bij Essent horen en dat ik bij Essent blijf en dat alles via Essent word geregeld. Dat is dus helemaal niet zo.
Ik kreeg zomaar een brief thuis dat ik niet meer bij Essent zit en dat ik ben overgestapt naar Greenchoice.
Verkoper heeft ons dus voorgelogen. daar ben ik niet van gediend.
Gerard > 05-06-2009 > 16:28.
Verhuizing
DLH de Wolf > 01-08-2007 > 11:08.
1ı
Uitgebreide samenvatting Bijzondere Publicatie
‘Ageing and the Sustainability of Dutch Public Finances’
De vergrijzing van de bevolking confronteert toekomstige generaties met oplopende lasten.
Tegelijkertijd zullen naar verwachting de aardgasbaten gaan afnemen. Als het huidige
voorzieningenniveau ongewijzigd gehandhaafd blijft zullen de overheidsbestedingen met 7%-
punt stijgen, van 48% van het BBP in 2006 tot 55% in 2040. De groei van de overheidsinkomsten
die daar tegenover staat − 4%-punt; vooral belastingen op toenemende pensioenuitkeringen
aan gezinnen − is onvoldoende om de stijging van de uitgaven te compenseren.
Tussen 2006 en 2040 groeien de uitgaven met meer dan 3% van het BBP harder dan de
inkomsten. De huidige budgettaire en sociale zekerheidsarrangementen zijn daarom vanuit een
langetermijnperspectief bezien niet houdbaar. Zonder beleidsaanpassingen zal een groeiende
financiële last worden doorgeschoven naar toekomstige generaties. Vroeg of laat zullen deze
dan gedwongen zijn belastingen te verhogen of overheidsbestedingen in te perken.
Deze studie inventariseert de omvang van dit houdbaarheidsprobleem van de
overheidsfinanciën, en analyseert mogelijke oplossingsrichtingen. Een houdbaar budgettair
overheidsbeleid wordt daarbij getypeerd als een beleid dat tot in lengte van dagen kan worden
voortgezet zonder dat de overheidsfinanciën ontsporen. Onder deze conditie kan het
zogenaamde houdbare structurele financieringssaldo van de overheid worden bepaald. Dit is de
maat die in deze studie gehanteerd wordt om de omvang van de toekomstige vergrijzingslasten
te karakteriseren.
Houdbaarheid kan worden bereikt door vooruit te lopen op deze lastenontwikkeling en nu al
maatregelen te nemen die het gat tussen het feitelijke en het houdbare budgetsaldo dichten. Dit
kan in principe op drie manieren worden aangepakt. In de eerste plaats kunnen de toekomstige
vergrijzingskosten worden verminderd, bijvoorbeeld door de officiële pensioenleeftijd te
verhogen, de zorgkosten te beteugelen, of het gunstige belastingregime voor (rijkere) ouderen in
te perken. Dit soort maatregelen heeft niet zozeer effect op het huidige overheidsbudget, maar
het verlaagt wél de toekomstige kosten van vergrijzing. In de tweede plaats kunnen maatregelen
worden genomen die het huidige budget verbeteren, zodat de overheidsbesparingen kunnen
toenemen. Dit verbetert de toekomstige overheidsfinanciën eveneens omdat de rentebetalingen
op de overheidsschuld dan lager zullen zijn. Een verbetering van het budget kan bereikt worden
door uitgaven of inkomsten aan te passen, maar, bijvoorbeeld, ook door de arbeidsparticipatie te
verhogen. Daarenboven kan beleid nuttig zijn dat de economie minder kwetsbaar maakt voor
macro-economische schokken, zoals, bijvoorbeeld, het koppelen van de pensioenleeftijd aan de
levensverwachting.
Als er geen specifiek beleid gevoerd wordt om de vergrijzingslasten te verminderen, moet
het structurele financieringssaldo van de overheid (EMU-saldo) aan het eind van de komende
2ı
regeringsperiode (in 2011) ongeveer 3% van het BBP bedragen om een houdbare
uitgangspositie te verkrijgen. Dit houdbare EMU-saldo komt overeen met een houdbaar primair
saldo van ruwweg 4½% van het BBP. Het primaire saldo is gelijk aan het EMU-saldo minus de
rentebetalingen op de staatsschuld.
Een streefwaarde voor het budgettaire beleid op middellange termijn
De streefwaarde van 3% voor het houdbare structurele EMU-saldo is een maat voor de omvang
van het houdbaarheidsprobleem. Dit cijfer moet niet zonder meer geïnterpreteerd worden als
een doelstelling voor het feitelijke budget. Het is alleen een streefwaarde als er geen nieuwe
maatregelen worden genomen om toekomstige vergrijzingskosten te beperken. In dat geval
moet houdbaarheid geheel worden bereikt door extra besparingen van de overheid. De
noodzaak tot verhoging van de overheidsbesparingen vermindert naarmate wél maatregelen
getroffen worden om de toekomstige vergrijzingskosten te beperken. Immers, de streefwaarde
voor het houdbare budgetsaldo wordt lager als toekomstige vergrijzingskosten afnemen. Zo
daalt, bij voorbeeld, de streefwaarde van het houdbare saldo van ongeveer 3% maar circa 2½%
van het BBP in 2011, als de pensioenleeftijd geleidelijk wordt opgetrokken naar 67 jaar in
2025. Als daarenboven het gunstige belastingregime voor (rijkere) ouderen wordt afgeschaft
kan een verdere afname met nog eens ¾% plaatsvinden. Ook maatregelen die de toekomstige
ontwikkeling van de zorgkosten inperken zouden hun weerslag kunnen hebben op het niveau
van het houdbare budgetsaldo.
Onzekerheid
Met nadruk moet vermeld worden dat alle resultaten gebaseerd zijn op langetermijnprojecties
van de bevolkingsontwikkeling, rentestanden en economische groei. Deze zijn zeer onzeker.
Daarenboven noodzaakt de analysemethode tot het maken van diverse veronderstellingen, die
invloed hebben op de uitkomsten. Deze moeten daarom met grote zorgvuldigheid en
voorzichtigheid gehanteerd worden. De studie volgt in grote lijnen het gezamenlijke kader dat
ten grondslag ligt aan vergelijkbare studies die op dit moment worden uitgevoerd door de
Europese gemeenschap en de OESO. Deze studies hebben als doel de langetermijnhoudbaarheid
van de overheidsfinanciën in kaart te brengen in het licht van de vergrijzende
bevolking van veel verschillende landen.
Vergelijking met de eerdere studie uit 2000
In vergelijking met de eerdere CPB-studie naar de omvang van de vergrijzingsproblematiek
(Van Ewijk et al, 2000) is de houdbaarheid verslechterd. Toen werd een houdbaar structureel
EMU-saldo gevonden van 1,2% BBP in 2010, leidend tot een beperkte beleidstaakstelling van
0,7% BBP saldoverbetering. Het verschil met de nu gevonden uitkomsten heeft diverse
oorzaken:
3ı
• De pensioenschok heeft een sterk negatief effect op het overheidsbudget gehad. Door de
sluipende aandelenkrach leden pensioenfondsen aanzienlijke vermogensverliezen (in de orde
van 25%); daarenboven zijn de verwachte opbrengsten van hun beleggingen aanzienlijk lager
geworden. De langetermijnrente is gestaag gedaald: sinds 2000 met bijna 2%-punt van 5½% in
2000 naar circa 3½% eind 2005. Ook zijn economen minder optimistisch geworden over het
rendement van aandelen, wat eveneens lagere verwachte rendementen van pensioenbesparingen
betekent. De lagere pensioenrendementen beïnvloeden direct de overheidsinkomsten door
hogere (aftrekbare) premies en lagere (belaste) pensioenuitkeringen. Deze terugval in het
verwachte rendement van pensioenfondsen is kwantitatief veruit de belangrijkste factor in de
verslechtering van de houdbaarheid van het overheidsbudget.
• De lagere rente heeft ook een directe invloed op het niveau van de houdbaarheidsmaatstaf
omdat toekomstige vergrijzingskosten daardoor zwaarder mee gaan tellen. Deze studie gaat uit
van een reële disconteringsvoet van 3%, wat 1% punt lager is dan in de eerdere studie. Deze
lagere disconteringsvoet draagt ook bij aan de verslechtering van de houdbaarheid.
• De huidige staatsschuld is hoger dan voorzien in 2000 als gevolg van de economische recessie
van de afgelopen jaren. Ook wordt de huidige budgettaire situatie vertekend door de recente
toename van de inkomsten uit aardgas. Deze inkomsten zijn maar tijdelijk omdat de gasbaten in
de toekomst zullen teruglopen naarmate de gasbronnen uitgeput raken.
• Tenslotte zijn er aan de pluskant ook enkele factoren die een positieve invloed gehad hebben op
de houdbaarheid, in het bijzonder de hervorming van de arbeidsongeschikheidsverzekering
(WAO). Aan de minkant is de huidige studie wat minder optimistisch over de toekomstige groei
van de arbeidsparticipatie van vrouwen.
Vragen en antwoorden over vergrijzing en houdbaarheid
De uitkomsten van deze studie worden meer gedetailleerd gepresenteerd in de volgende vragen
en antwoorden.
Waarom is houdbaarheid een punt van zorg?
Houdbaarheid is een belangrijk aandachtspunt omdat verwacht mag worden dat de vergrijzende
bevolking een toenemende last gaat vormen voor toekomstige generaties. Bovendien
verslechtert de toekomstige budgettaire situatie door het geleidelijk opdrogen van de
aardgasbaten. Huidig beleid is ‘houdbaar’ als het voldoet aan de eis dat het ongewijzigd zou
kunnen worden voortgezet zonder dat het overheidsbudget in de toekomst ontspoort. Dit
houdbaarheidsbegrip kan worden gemotiveerd vanuit het oogpunt van economische efficiëntie
of van intergenerationele gelijkheid.
4ı
Efficiëntie
Houdbaarheid draagt bij aan economische efficiëntie omdat toekomstige belastingen niet
verhoogd hoeven te worden om de toenemende vergrijzingslasten te financieren. In het
algemeen is het beter om de belastingdruk constant te houden dan deze in de loop van de tijd te
laten oplopen. De verstoringen die belastingen teweeg brengen, bijvoorbeeld op de
arbeidsmarkt, zijn gemiddeld genomen het kleinst bij stabiele belastingen. Toekomstige hogere
belastingen ontmoedigen bovendien het sparen door gezinnen en investeren door bedrijven.
Intergenerationele gelijkheid
Houdbaarheid betekent ook dat toekomstige generaties niet onevenredig belast worden met de
vergrijzingskosten. Een houdbaar beleid is gedefinieerd als een beleid dat tot in de verre
toekomst ongewijzigd voortgezet kan worden. Toekomstige generaties kunnen dan in dezelfde
mate profiteren van sociale zekerheidsvoorzieningen, en van overheidsbestedingen, bij
eenzelfde niveau van de belastingdruk als de huidige generaties. In deze zin hebben huidige en
alle toekomstige generaties dan hetzelfde profijt van de overheid. Op een houdbaar pad voor de
overheidsfinanciën hebben alle generaties hetzelfde netto economische profijt van de overheid.
Het netto profijt van een generatie is gelijk aan het verschil tussen enerzijds alle
overheidsvoorzieningen die deze generatie gedurende de gehele levensloop (dus van geboorte
tot dood) verkrijgt, en anderzijds alles wat deze generatie aan belastingen over de levensloop
bijdraagt. Het houdbaarheidsbegrip is daarom nauw verbonden met het ‘Musgrave’-criterium
voor een ‘faire’ intergenerationele verdeling, namelijk een constant netto profijt van de
overheid voor alle generaties, in verhouding tot hun levensinkomen.
Voorzorg en weerstandsvermogen
De huidige analyse houdt niet expliciet rekening met voorzorgsmotieven om houdbaarheid na te
streven. Dat zou een extra reden kunnen zijn om toekomstige generaties niet te belasten met de
‘vergrijzingsschuld’. Hoewel door economische groei verwachte toekomstige inkomens hoger
zullen zijn dan nu is de precieze welvaartstoename hoogst onzeker. Bovendien kan er een groter
beroep nodig zijn op het weerstandsvermogen van de economie door toenemende internationale
afhankelijkheden en een relatieve afname van de beroepsbevolking. Ook dit kan de welvaart
van toekomstige generaties beïnvloeden, en hun vermogen − en bereidheid − om te betalen voor
de kosten van de generaties die dan oud zijn.
Waarom is een budgetoverschot nodig?
Houdbaarheid vereist om twee redenen een budgetoverschot. In de eerste plaats moet de
overheid, afgezien van rentebetalingen, middelen overhouden om staatsschuld af te lossen die in
het verleden is ontstaan. In de tweede plaats moet de overheid sparen met het oog op de
5ı
toekomstige vergrijzingslasten. In formulevorm moet het structurele primaire saldo op een
houdbaar pad, rps, voldoen aan
rps = (r - g) (D + A).
Hierin is D de omvang van de huidige staatsschuld en A de omvang van de ‘impliciete’ schuld
als gevolg van toekomstige vergrijzingskosten. De disconteringsfactor − het verschil tussen de
reële rentevoet r en de groeivoet g − zet het niveau van de totale schuld (de ‘stock’) om in een
annuïteit (een eeuwigdurende jaarlijkse ‘flow’ met dezelfde contante waarde). Meer precies
wordt de impliciete schuld A gemeten als de contante waarde in het uitgangsjaar van alle
toekomstige verslechteringen van het primaire saldo in vergelijking met het huidige saldo, die
samenhangen met de vergrijzing en andere exogene ontwikkelingen zoals het opraken van het
aardgas.
De formule kan worden geïllustreerd door het budget van een gemiddeld huishouden van
middelbare leeftijd te beschouwen. Het primaire saldo meet het overschot van de lopende
inkomsten boven de lopende uitgaven (zonder rentebetalingen). Het overschot is nodig om
schuld die in het verleden is ontstaan af te lossen, én om te sparen voor toekomstige uitgaven,
bijvoorbeeld aan zorg, of als vervangend inkomen tijdens het pensioen. Als bovendien verwacht
wordt dat het inkomen straks gaat teruglopen (vergelijk de afnemende gasbaten) is er een extra
reden om te sparen. Schuldaflossing vormt in Nederland slechts een deel van de verklaring voor
de noodzaak van een budgetoverschot. Een groter deel, meer dan driekwart, wordt verklaard
door de toenemende vergrijzingskosten en de teruglopende gasbaten.
Is het pad voor het overheidsbudget het meest plausibele pad?
Het basisscenario is afgestemd op de specifieke vraag die in deze studie centraal staat: ‘is het
huidige beleid houdbaar?’ Daarom wordt het bestaande beleid als gegeven genomen, en worden
te verwachten beleidswijzigingen niet in de berekeningen betrokken. Het basisscenario is
bedoeld als een ‘benchmark’ voor houdbaar beleid, niet als een zo goed mogelijke prognose.
Daarom neemt het basisscenario de bestaande politiek als gegeven en laat die tot in de verre
toekomst ongewijzigd. Daarbij wordt wel rekening gehouden met het effect op het
overheidsbudget van wijzigingen in de bevolkingssamenstelling en van andere exogene
ontwikkelingen. Belastingvoeten worden constant verondersteld, en overheidsuitgaven groeien
evenredig mee met de lonen of het BBP. Technisch gesproken wordt het houdbare pad
gevonden door een eenmalige en blijvende verlaging van de overheidsuitgaven zodanig dat een
stabiele ontwikkeling van de overheidsfinanciën over een zeer lange horizon resulteert. Deze
keuze voor aanpassing van de overheidsuitgaven als beleidsinstrument is een zuiver technische.
Alternatieve mogelijkheden om het budget aan te passen worden eveneens in deze studie
bekeken.
6ı
Hoe robuust is het vereiste primaire surplus als streefwaarde voor budgetbeleid?
In het algemeen is de uitkomst voor het vereiste primaire saldo (rps) tamelijk robuust als
houdbaarheidsindicator. Deze maat is ongevoelig voor de conjunctuur omdat ze betrekking
heeft op het structurele saldo. Ook is ze, in tegenstelling tot het EMU-saldo onafhankelijk van
kortetermijnfluctuaties in feitelijke rentebetalingen op de staatsschuld. Figuur 1 presenteert de
gevoeligheid van het houdbare primaire saldo voor een aantal veronderstellingen die aan de
scenario’s ten grondslag liggen. De omvang van de schokken in figuur 1 is zodanig gekozen dat
ze in verwachting met ongeveer dezelfde kans kunnen optreden. Ze resulteren in een
bandbreedte van 4,4 tot 6,7% in de uitkomsten rond de centrale waarde op het basispad van
4,8% BBP. De meeste factoren blijken weinig effect te hebben op het houdbare primaire saldo
voor 2011. Ook blijkt de disconteringsvoet, die gebruikt wordt voor toekomstige inkomsten en
uitgaven van de overheid, een beperkte invloed te hebben. De houdbaarheidsindicator blijkt
echter wél gevoelig voor de levensverwachting en de ontwikkeling van de zorguitgaven. Ook
heeft de (exogene) economische groeivoet een significante invloed op het houdbare primaire
saldo. Aan deze factoren wordt in de studie speciaal aandacht besteed. Ook verdient het
gunstige effect van een hogere rentevoet (namelijk een lagere streefwaarde van het budgetsaldo)
enige nadere uitleg. Verder moet opgemerkt worden dat de kleine invloed van, bijvoorbeeld,
participatie niet betekent dat dit een onbelangrijke factor is. Integendeel, hogere participatie is
een effectieve manier om het feitelijke overheidsbudget te verbeteren, zodat de kloof tussen het
feitelijke en het gewenste saldo kleiner wordt.
Figuur 1 Gevoeligheid van het houdbare primaire saldo voor een aantal onzekerheden
-2.5 -2 -1.5 -1 -0.5 0 0.5 1 1.5 2 2.5
participatie vrouwen
participatie 55-65 jaar
indexatie pensioenen
vruchtbaarheid
levensverwachting
discoteringsvoet
economische groei
groei zorguitgaven
7ı
Waarom is een lage rente nadelig voor houdbaarheid?
De invloed van de rente of de disconteringsvoet kan als volgt begrepen worden. Omdat een lage
rente ook een laag rendement voor pensioenfondsen betekent moeten de pensioenpremies
verhoogd worden om toekomstige pensioenuitkeringen te financieren. Omdat pensioenpremies
aftrekbaar zijn voor de belasting ontstaat zo een direct verlies aan belastingopbrengsten.
Hoewel de uitkeringen belast zijn stijgt de netto subsidie op de pensioenbesparingen
aanzienlijk. Gemiddeld bedraagt de impliciete subsidie op pensioenen tussen de 40 en 50%.
In aanvulling op dit effect beïnvloedt de rentevoet het overheidbudget ook direct.
Technisch gezien betekent een lage rente een hoger gewicht van de toekomstige
vergrijzingskosten in contante waarde termen. Anders gezegd, als het rendement van
besparingen laag is zijn nu hogere besparingen nodig om de toekomstige vergrijzingskosten af
te dekken. Het is juist dat een lagere rente ook betekent dat de kosten van rentebetalingen over
de uitstaande schuld lager zijn, maar in de praktijk overheerst in de Nederlandse situatie het
eerstgenoemde effect. Merk op dat de overheid op het houdbare pad een positieve netto
vermogenspositie opbouwt. Dit is noodzakelijk om toekomstige generaties te compenseren voor
de oplopende vergrijzingskosten. Gegeven deze positie als netto crediteur is een lage rente
schadelijk voor de overheid vanuit een langetermijnperspectief. In de kern is dit dezelfde reden
als waarom pensioenen duurder worden als het verwachte rendement van pensioenfondsen
afneemt.
Is groei slecht voor de overheidsfinanciën?
Figuur 1 laat zien dat hogere economische groei het primaire saldo verhoogt dat nodig is voor
houdbaarheid. Betekent dit dat hogere groei slecht is voor het overheidsbudget? Dat is zeker
niet het geval. Groei verhoogt niet alleen de algemene welvaart, ze is ook voordelig voor het
overheidsbudget. Hogere groei leidt tot hogere toekomstige die gebruikt kunnen worden voor
extra bestedingen of belastingverlaging. Bovendien kan economische groei het doorvoeren van
noodzakelijke economische hervormingen vergemakkelijken.
Toch blijkt, zoals figuur 1 laat zien, dat hogere groei gepaard gaat met een groter vereist
primair saldo voor houdbaarheid. Een blijvende verhoging van de groei met ½% leidt tot een
1% hogere streefwaarde voor het structurele primaire saldo. Dit vraagt duidelijk om een
verklaring. Doorslaggevend is hier de veronderstelling dat op de lange termijn alle
overheidsbestedingen geïndexeerd zijn aan de lonen of het BBP. Daardoor betekent meer groei
ook meer toekomstige uitgaven. Per saldo zullen de uitgaven zelfs meer toenemen dan de
inkomsten omdat een deel van deze inkomsten niet afhangt van de groei (bijv. gasbaten en
belastingen op vermogens van gezinnen en pensioenfondsen). Het netto effect op de
houdbaarheid, zoals gemeten door het noodzakelijke primaire saldo, is daarom negatief.
In economische termen kan het grotere vereiste primaire saldo begrepen worden als extra
besparingen die nodig zijn om de − hogere − toekomstige bestedingen af te dekken aan,
8ı
bijvoorbeeld, pensioenen en gezondheidszorg. Per saldo vergroot hogere groei het netto profijt
van huidige generaties. In het bijzonder profiteren de huidige ouderen omdat zij straks wél
voordeel hebben van de hogere uitgaven (bijv. hogere AOW) maar nauwelijks extra belasting
betalen. Dit positieve effect op het vereiste primaire saldo is vergelijkbaar met de invloed van
meer groei op pensioenfondsen; ook hier zijn bij een hogere groei op de korte termijn hogere
premies noodzakelijk, om de hogere toekomstige pensioenen te financieren. Dit betekent echter
niet dat mensen slechter af zijn. Integendeel, ondanks de hogere pensioenpremies zijn
individuen zeker beter af omdat zowel hun inkomen als hun pensioen toenemen door de hogere
productiviteitsgroei.
De veronderstelling van geïndexeerde uitgaven is doorslaggevend voor het houdbaarheidsresultaat.
Als het tijdpad van de uitgaven vast zou zijn en niet geïndexeerd aan de groei, dan zou
meer groei vanzelfsprekend gunstig uitwerken op houdbaarheid. Zouden bijvoorbeeld de
uitgaven jaarlijks permanent een ½% in groei achterblijven dan zou dat het houdbare primaire
saldo gemakkelijk met 5% BBP kunnen verlagen. De vraag is evenwel of dit een relevante
oefening is in het kader van de houdbaarheidsproblematiek. In de eerste plaats zou het
betekenen dat alle overheidsbestedingen in groei achterblijven bij de inkomensontwikkeling in
de particuliere sector. Zodoende zouden niet alleen onderwijs en cultuur, maar ook de
pensioenen en sociale uitkeringen verminderen in verhouding tot het particuliere inkomen.
Merk daarbij op dat arbeidskosten de belangrijkste kostenpost van de overheid vormen, en dat
de ambtenarensalarissen de lonen in de marktsector volgen. In de tweede plaats zou een
achterblijvende groei van de uitgaven het Musgrave criterium schenden voor de
intergenerationele verdeling die aan houdbaarheid ten grondslag ligt. Een achterblijvende
uitgavengroei vormt evenzeer een last voor toekomstige generaties. Dezen zien hun profijt van
de overheidsbestedingen slinken terwijl ze evenveel belastingen moeten betalen. Dus, als men
al van mening zou zijn dat een dergelijk scenario haalbaar is, het zou geen oplossing bieden
voor de houdbaarheidsmaat. In plaats van een expliciete schuld zouden toekomstige generaties
dan de last moeten dragen van een impliciete schuld in de vorm van een lager profijt van
overheidsbestedingen.
Vormen hogere zorgkosten een bedreiging voor de houdbaarheid?
Zorgkosten kunnen om meerdere redenen extra hard toenemen. Zo zijn er, bijvoorbeeld, sterke
aanwijzingen dat de inkomenselasticiteit van zorgconsumptie groter dan één is. Verder kan
medisch-technische vooruitgang de uitgaven aan medische diensten vergroten. Het antwoord op
de vraag hoe dit de houdbaarheid beïnvloedt hangt sterk af van wie deze groei betaalt. Als
toekomstige generaties er een voorkeur voor hebben om meer te besteden aan gezondheidszorg,
dan vormt dat in het algemeen geen reden om de overheidsbesparingen nu op te voeren.
Intergenerationeel gezien moeten deze hogere gewenste toekomstige uitgaven gedragen worden
door de generaties die er van profiteren, dat wil zeggen de generaties die dán leven. Als de
9ı
zorguitgaven als gevolg van een verschuiving van preferenties harder groeien dan de economie
dan moet dit gefinancierd worden door de belasting in de loop van de tijd te verhogen (of
andere uitgaven te verminderen). Dit volgt uit het Musgrave criterium voor de
intergenerationele verdeling. Naarmate de huidige generaties echter ook zelf al profiteren van
extra zorg gedurende de rest van hun leven zou dat wel een extra last voor toekomstige
generaties vormen. Dit zou het geval zijn als de extra consumptie van zorg door huidige
generaties groter is dan hun bijdrage in de vorm van hogere belastingen. In dat geval wordt een
onbetaalde rekening doorgeschoven naar toekomstige generaties. Houdbaarheid vereist dan dat
nu al gehandeld wordt.
Hoe effectief is alternatief beleid om houdbaarheid te herstellen?
Houdbaarheid wordt bereikt als het feitelijke structurele overheidsbudget in overeenstemming
gebracht wordt met het vereiste primaire saldo. Dat kan op veel verschillende manieren
gebeuren. Analyse van alle alternatieven valt buiten het bereik van deze studie. Het is echter
wel nuttig om te laten zien dat naast directe budgettaire maatregelen ook het bevorderen van de
participatie effectief is om het overheidsbudget te verbeteren. Figuur 2 presenteert de effecten
op het ‘houdbaarheidstekort’, dat wil zeggen het gat tussen het vereiste en het feitelijke primaire
saldo, van vijf verschillende beleidsmaatregelen De eerste twee maatregelen, gericht op
verhoging van de participatie, verbeteren vooral het feitelijke budget; de andere schokken, die
vooral samenhangen met toekomstige uitgaven, verlagen het vereiste budgetsaldo. Deze figuur
moet met de nodige voorzichtigheid gehanteerd worden omdat in de praktijk de verschillende
maatregelen heel verschillende (beleids)inspanningen kunnen vergen
Figuur 2 Effecten op de kloof tussen het vereiste en het feitelijke primaire saldo (in % BBP)
10ı
Zijn huidige generaties een last voor toekomstige generaties?
Het Musgrave-criterium voor de intergenerationele verdeling is een relatief criterium. Het zegt
nauwelijks iets over de absolute omvang van de last voor toekomstige generaties. In feite vindt
deze studie dat toekomstige generaties nog steeds een positief netto profijt van de overheid
hebben. Zij ontvangen meer in de vorm van bestedingen (onderwijs, pensioenen, enzovoorts)
dan zij bijdragen in de vorm van belastingen en sociale verzekeringspremies. In het
basisscenario voor een houdbaar pad kunnen toekomstige generaties een positief netto profijt
verwachten van ongeveer 7% van hun levenslange vermogen. Voor generaties die in 2006
geboren worden komt dit neer op 56.000 euro in contante waarde per persoon, ofwel een
jaarlijks bedrag van ruwweg 1800 euro. Ook dit cijfer moet met de grootst mogelijke
voorzichtigheid gehanteerd worden; het is echter onwaarschijnlijk dat het netto profijt van
toekomstige generaties negatief zal zijn.
Om te begrijpen waarom er sprake is van een positief netto profijt is het nuttig op te
merken dat ondanks de initiële staatsschuld (54% van het BBP in 2006) het totale vermogen
van de overheid positief is en gelijk aan ongeveer 60% van het BBP. Hierin zijn financiële
activa begrepen en fysieke activa, zoals gebouwen en infrastructuur. De opbrengsten van deze
activa worden ook toegedeeld aan huidige en toekomstige generaties. De overheid ‘verdient‘op
deze wijze in 2006 inkomsten uit vermogen gelijk aan bijna 4% van het BBP in 2006, wat
samen met de met de aardgasopbrengsten ten goede komt aan alle generaties.
Houdbaarheid gaat echter over de relatieve verdeling van het staatsvermogen over
generaties. Toekomstige generaties profiteren in het houdbare scenario, maar dat geldt ook voor
huidige generaties, zelfs na aanpassingen om houdbaarheid te bewerkstelligen. Ook voor
huidige generaties zijn de belastingen laag in verhouding tot de overheidsbestedingen waarvan
zij profiteren.
Een andere manier om het positieve netto profijt te verklaren is dat huidige én toekomstige
generaties gezamenlijk een positief netto vermogen hebben geërfd van vroegere generaties (o.a.
in de vorm van gasreserves); zij verdelen dat evenredig door een houdbaar beleid te voeren. Met
een onhoudbaar beleid eigenen huidige generaties zich een groter deel toe, ten koste van
toekomstige generaties. Hoe de positieve uitgangspositie tot stand is gekomen blijft in deze
studie buiten beschouwing.
Het positieve netto profijt van toekomstige generaties verklaart ook waarom een hogere
vruchtbaarheid vanuit het oogpunt van het overheidsbudget geen oplossing vormt voor het
vergrijzingsprobleem. Over hun volledige levensloop kosten kinderen gemiddeld meer als
gevolg van hogere overheidsuitgaven (o.a. voor onderwijs en AOW) dan ze bijdragen door het
betalen van belastingen en premies over hun inkomen. Om dezelfde reden biedt immigratie in
het algemeen weinig soulaas voor het oplossen van het houdbaarheidsprobleem van de
Nederlandse overheidsfinanciën.
11ı
Wat zijn de gevolgen van een meer geleidelijk pad naar houdbaarheid?
Houdbaarheid moet worden onderscheiden van solvabiliteit. Vanuit financieel gezichtspunt zijn
er vele andere mogelijkheden voor een budgetbeleid. Zo is, bijvoorbeeld iedere politiek die
mikt op een constante staatsschuld (in absolute termen of als percentage van het BBP), of een
constant EMU-saldo (schuld of overschot), gezond vanuit en zuiver financieel gezichtspunt. Het
kernpunt van houdbaarheid is echter dat zulke beleidsstrategieën niet afgestemd zijn op
efficiëntie of gelijkheid. Beleidsdoelstellingen zoals een constante staatsschuldquote of een
evenwichtig budget zullen bijvoorbeeld niet kunnen voorkomen dat de vergrijzingslast naar
toekomstige generaties wordt doorgeschoven zodat belastingen omhoog moeten als in de
toekomst de vergrijzingskosten toenemen. Het Musgrave-criterium houdt in dat de
vergrijzingslast door alle generaties gedeeld wordt naar rato van hun levensinkomen.
Nadrukkelijk moet hieraan worden toegevoegd dat dit niet de enige mogelijke interpretatie
vormt van intergenerationele gelijkheid. De verdeling die voortvloeit uit het scenario onder de
veronderstelling van ongewijzigd beleid, en die overeenstemt met het Musgrave criterium, dient
in de eerste plats als een ijkpunt voor de analyse van de intergenerationele verdeling, en de
gevolgen van alternatief beleid voor de houdbaarheid van de overheidsfinanciën.
Om alternatieven voor dit ijkpunt te onderzoeken bekijkt deze studie ook beleid waarbij
maatregelen om houdbaarheid te herstellen worden uitgesteld tot 2040. Het is duidelijk dat
uitstel voordelig is voor huidige generaties, terwijl het de last voor toekomstige generaties
vergroot. In het basisscenario betekent uitstel dat tot 2040 de streefwaarde voor het
overheidssaldo 2,6% BBP lager kan zijn. Vanaf 2040 is het houdbaarheidstekort dan 4.0%
BBP. Het effect op het toekomstige houdbare saldo is relatief beperkt om twee redenen: ten
eerste groeit de financiële last relatief langzaam door de lage rente; ten tweede wordt de extra
last uitgesmeerd over alle generaties die na 2040 leven, tot in het oneindige. De 2,6% BBP die
tot 2040 beschikbaar is voor. extra overheidsuitgaven (of belastingverlaging) moet dus
gefinancierd worden door een permanent hoger houdbaarheidstekort na dat jaar. Wanneer, als
alternatief, de generaties die in 2040 leven hun lasten niet kunnen of willen doorschuiven nar
toekomstige generaties, dan neemt hun last niet toe tot 4% maar tot 7.4% BBP. Dit is
noodzakelijk om weer terug te keen nar het originele houdbare pad in een periode van één
generatie (hier 34 jaar).
In het basisscenario met houdbaar beleid worden huidige en toekomstige generaties met
dezelfde aanpassing van het budget geconfronteerd, namelijk 2,6% BBP. Meer geleidelijk
beleid zorgt er voor dat deze last toeneemt in de tijd. De keuze van een criterium voor de
intergenerationele verdeling en de verdeling van de vergrijzingslasten over de tijd die daaruit
voortvloeit, is een normatieve kwestie. Deze studie kan echter behulpzaam zijn doordat zij de
gevolgen schetst van alternatieve oplossingen voor het houdbaarheidsprobleem.
12ı
Zijn er nog andere instrumenten om de lasten van toekomstige generaties te verlichten?
In het grootste deel van deze studie wordt de samenstelling van de overheidsuitgaven als
gegeven genomen. Toch is deze samenstelling van belang voor de allocatie van het
overheidsprofijt. Zo profiteren, bijvoorbeeld, vooral jongeren van beter onderwijs, terwijl
gezondheidszorg juist belangrijker is voor ouderen. In principe kan de overheid daarom de last
voor toekomstige generaties ook verlichten door overheidsuitgaven meer te richten op jongere
generaties. De mogelijkheden daartoe zijn echter beperkt, en verdelingseffecten zijn niet altijd
eenduidig. Zo profiteren primair de jongeren van hogere onderwijsuitgaven, maar als betere
opleiding leidt tot hogere productiviteit en lonen, dan werkt dat ook door in hogere pensioenen
van de ouderen als gevolg van de koppeling van de pensioenen aan de lonen. Zulk beleid is in
deze studie niet aan de orde.
Ook al is er geen sprake van een gericht instrument voor intergenerationele herverdeling,
het is toch belangrijk rekening te houden met beleid dat de waarde van het huidige
vermogensbezit van huishoudens raakt, in het bijzonder de waarde van hun eigen woning. Een
verandering van de huizenprijzen kan en grote invloed hebben op de intergenerationele
verdeling. In het algemeen zal een daling van de huizenprijzen ten goede komen aan de jongste
generaties (die nog een huis moeten kopen), en een verlies betekenen voor de oudere
generaties, die de bestaande woningvoorraad in eigendom hebben. De overheid beinvloedt de
huizenprijzen sterk door financiële regulering, ruimtelijke ordeningsbeleid, en, niet in de laatste
plaats, het fiscale stelsel waarin rentebetaling op hypotheken aftrekbaar is, terwijl rente op
andere leningen dat niet is. Een minder gunstig belastingregime voor hypotheken heeft, in grote
lijnen, hetzelfde effect als schuldaflossing. Huizenprijzen zullen dalen, wat een netto overdracht
betekent aan toekomstige generaties en tegelijk een structurele verbetering van het
overheidsbudget inhoudt. Op deze wijze zou een structurele hervorming van de fiscale
behandeling van woninghypotheken kunnen leiden tot en lagere waarde voor het houdbare
budgetsaldo. Omdat huizenbezit ongelijk verdeeld is zou een verlaging van de huizenprijzen
ook invloed hebben op de intragenerationele verdeling. Analyse van deze complexe materie
gaat de strekking van deze studie te boven en moet in de toekomst nog plaatsvinden. Deze
studie negert ook de rol van erfenissen en schenkingen tussen generaties. Hogere
nalatenschappen vormen ook een manier om toekomstige generaties te compenseren voor de
vergrijzingslasten, maar alleen op individuele basis. Omdat veel huishoudens geen erfenissen
nalaten blijft er zeker ook een rol voor de overheid om de solidariteit tussen generaties te
organiseren.
Moet de overheid rekening houden met schokken in de pensioenpremies?
Het basisscenario gaat uit van een constante belastingdruk over generaties. Dit kan worden
gemotiveerd vanuit oogpunt van ‘tax-smoothing’ en intergenerationele gelijkheid. Voor
Nederland kan beargumenteerd worden dat ook de impliciete belastingen meegerekend zouden
13ı
moeten worden die inbegrepen zijn in de pensioenpremies. Omdat arbeidspensioenen (de
tweede pijler van het pensioenstelsel) verplicht zijn bevatten de premies een impliciete
belastingcomponent als de premievoet afwijkt van actuariële standaards. Dit gebeurt, bij
voorbeeld, na een negatieve schok in de pensioenvermogens, die ongedaan gemaakt wordt door
tijdelijk hogere premies te heffen. Ook bevatten sommige actuarieel niet-neutrale vervroegde
uittredingsregelingen (‘VUT’) een impliciete belasting. Als alternatief voor ‘tax-smoothing’
(constante belastingvoeten) zou men daarom ook uit kunnen gaan van een constante som van
expliciete belastingen én impliciete belastingen die bevat zijn in pensioenpremies. In dat geval
wordt een tijdelijke impliciete belasting in de pensioenpremies gecompenseerd door een
tijdelijk lagere expliciete overheidsbelasting.
Meer specifiek zou dit betekenen dat de overheid op dit moment soepeler zou kunnen zijn
voor wat betreft de budgetdoelstelling omdat de huidige pensioenpremies tijdelijk een
impliciete belastingcomponent bevatten. Dit voorkomt onnodige verstoring van de
arbeidsmarkt. Bovendien zou het ‘eerlijk’ zijn uit intergenerationeel oogpunt omdat de huidige
werkende bevolking al relatief zwaar belast is met het weer op peil brengen van de reserves van
de pensioenfondsen. Ook daarmee wordt een voorziening opgebouwd waar toekomstige
generaties baat bij hebben. Dit alternatief van ‘verbrede tax-smoothing’ zou het niveau van het
houdbare structurele EMU-saldo in 2011 met ½%-punt BBP verlagen, waardoor het houdbare
EMU-saldo afneemt van iets boven 3¼% tot iets beneden 3% van het BBP. Deze range vormt
de achtergrond van het in deze samenvatting gehanteerde cijfer van 3% voor het houdbare
saldo.
Waarom is de uitgangspositie van Nederland niet gunstiger?
Het houdbaarheidstekort komt voort uit het verschil tussen het feitelijke budgetsaldo en het
houdbare niveau ervan, beide in structurele termen, dus afgezien van conjuncturele invloeden.
Kijkend naar de feitelijke financiële situatie dringt de conclusie zich op dat de uitgangspositie
van Nederland niet bijzonder gunstig is. Sinds 2000 heeft het overheidssaldo in Nederland een
flinke daling laten zien, sterker dan in de meeste andere Europese landen. Dat is in hoge mate
het gevolg van de conjuncturele invloed van de recessie die Nederland harder getroffen heeft
dan andere landen. Echter, een andere relevante factor is dat de beschikbaar gekomen ruimte als
gevolg van de daling van de rente op de staatsschuld niet gebruikt is voor het verbeteren van de
budgettaire situatie. Dit wordt geïllustreerd in figuur 3. Ondanks de afnemende rentelast op de
staatsschuld zijn zowel het EMU-saldo als het primaire saldo gedaald; het primaire saldo nog
meer dan het EMU-saldo.
14ı
Figuur 3 Financieel saldo van de overheid, Nederland, 1980-2006
-8.0
-6.0
-4.0
-2.0
0.0
2.0
4.0
6.0
8.0
1980 1985 1990 1995 2000 2005
EMU-saldo primair saldo rente uitgaven
Draagt de grote kapitaalgedekte tweede pijler van ons pensioenstelsel niet bij aan de
houdbaarheid van de overheidsuitgaven?
Jawel, dat is zeker het geval. Dankzij de grote vermogens die pensioenfondsen opgebouwd
hebben kan de overheid aanzienlijke extra belastinginkomsten tegemoet zien als de pensioenen
tot uitkering gaan komen. Zonder deze pensioenbesparingen zou het vereiste budgetsaldo voor
houdbaarheid veel hoger zijn, en zou het heel erg moeilijk zijn om ons pensioenniveau, dat
naar internationale maatstaven heel hoog is, te handhaven. Dit gunstige effect op het
overheidsbudget heeft betrekking op het reeds bestaande pensioenvermogen, dat in het verleden
is opgebouwd. Als we evenwel kijken naar de stroom van nieuwe pensioenbijdrages in de vorm
van toekomstige premiebetalingen, dan is het beeld minder rooskleurig. Vanuit dit − ex ante −
perspectief is de tweede pijler van het pensioenstelsel erg kostbaar voor de overheid als gevolg
van de gunstige fiscale behandeling er van. Hoewel de overheid inkomsten verkrijgt uit de
pensioenuitkeringen, verliest zij meer belastingen door de aftrekbaarheid van premies in de
eerste helft van de levensloop van de pensioendeelnemers. Daarenboven verliest de overheid
omdat pensioenvermogens vrijgesteld zijn van vermogensrendementsheffing. De impliciete
subsidie kan geraamd worden op 40 Ã 50% op iedere euro die ingelegd wordt, in vergelijking
met vrije besparingen.
15ı
Als alle landen hetzelfde doen en meer gaan sparen voor de vergrijzing, wie neemt dan al
deze spaaroverschotten op?
Vergrijzing is een wereldwijd fenomeen. Als alle landen hun (overheids)besparingen vergroten
zal de rentevoet zakken tot het punt waar wereldwijd investeringen en besparingen weer in
evenwicht zijn. Ook in Nederland zullen de private besparingen afnemen in reactie op de lagere
rente, zodat het overschot op de lopende rekening vermindert. Wat betekent dat voor het
overheidsbeleid? Maakt dit een beleid van schuldaflossing ongerijmd? Nee, integendeel, bij een
lagere rente moet de schuldreductie juist groter zijn en niet kleiner. Als het rendement op de
voorziening ten behoeve van toekomstige vergrijzingskosten afneemt moet de overheid meer
sparen om toekomstige generaties te compenseren voor de last van hogere uitgaven voor
pensioenen en gezondheidszorg. Dit is vergelijkbaar met het probleem van een pensioenfonds:
als het rendement op de investeringen afneemt moet het fonds de premies verhogen (lees:
belastingen) als het de toekomstige pensioenuitkeringen wil kunnen betalen.
Een lage rente kan een reden zijn om ook ander beleid te heroverwegen. Ze moet in
aanmerking genomen worden bij het beoordelen van investeringsprojecten, zowel in de private
als in de publieke sector. Zo zijn, bijvoorbeeld, investeringen in opleiding en infrastructuur
aantrekkelijker als de rente laag is. Ook worden pensioenen duurder; dit kan een reden zijn voor
minder ambitieuze pensioenvoorzieningen en meer consumptie nu. Een lagere rente kan zo ook
de legitimiteit vergroten van een beleid gericht op verhoging van de officiële pensioenleeftijd.
webber > 13-09-2006 > 18:18.
Founded in 1991, SonicWALL, Inc. designs, develops, and manufactures network security, secure remote access, Web and e-mail security, continuous data protection, and policy and management solutions. Offering appliance-based products as well as value-added subscription services, SonicWALL’s comprehensive array of solutions provide enterprise class Internet and data protection that won’t compromise network performance.
SonicWALL is a recognized global leader in the small and medium business markets and its solutions are deployed in distributed enterprise environments, government, retail point-of-sale and healthcare segments as well as through service providers.
SonicWALL has been hailed by industry publications such as InfoWorld, PC Magazine, Network World, and SC Magazine for easy to use, high quality, and high performance appliances and services. Its appliances have a worldwide installed base of more than 650,000 units, protecting millions of users. A leader in the rapidly growing Unified Threat Management category, SonicWALL’s UTM solution features high-performance, solid-state firewalls and VPN appliances with value-added security subscriptions such as anti-virus, intrusion prevention and anti-spyware, for wired and wireless networks of all sizes. Its award-winning SonicWALL Global Management System, which allows network administrators to centrally manage and provision thousands of security appliances across a widely distributed network, further enhances the value businesses realize from a SonicWALL solution.
To meet the demands of customers—regardless of network size—SonicWALL offers 24x7 technical support, in-depth consulting and design services, and Technical Training and Certification courses. These services are designed to help customers effectively plan, deploy, and manage their security infrastructures.
SonicWALL continues to develop strategic relationships with key partners and resellers. More than 15,000 resellers and distributors worldwide offer the SonicWALL line of solutions.
Piet Janssen > 08-09-2006 > 13:16.
L.S.,
Vorige week (22 augustus) heb ik dhr M. Breedveld aan de deur gehad. Een van jullie verkoopmedewerkers.
Ik woon in Sliedrecht P.C. Hooftlaan 88, 3362TW
Ik heb met hem afgesproken dat hij mij een offerte zou sturen. Vervolgens heeft hij mij een formulier laten tekenen. Als ik dit formulier zou tekenen zou ik een vrijblijvende offerte ontvangen.
Nu krijg ik bericht dat ik klant ben geworden!!! En wel met klantnummer: 324082.
Hier heb ik absoluut GEEN toestemming voor gegeven. Meneer heeft me iets laten tekenen onder valse voorwaarden.
Ik wil ABSOLUUT GEEN gebuik gaan maken van de diensten of producten van Greenchoice
Met vriendelijke groet,
Lex Moret
Lex Moret > 29-08-2006 > 18:38.
wij hebben op 24-2-2006 een dame aan de deur gehad die ons er van van overtuigde dat we energie via greenchoice te meten. maar wij zien er toch van af.
a.torrisi > 27-02-2006 > 8:32.
Let op: Je kunt je abonnement niet opzeggen doormiddel van het plaatsen van een opmerking.
Het gebruik van deze opzegbrief 'Greenchoice' is voor eigen risico. Aan deze brief kunnen ten opzichte van Abonnementenopzeggen.nl geen rechten worden ontleend.
Controleer daarom altijd deze gegevens 'bijv adres', is deze anders plaats een opmerking.
Op deze manier helpt Abonnementenopzeggen.nl circa 2500 mensen per dag aan een opzegbrief!
Met dank aan jullie: Voor consumenten door consumenten.
Bang dat u het opzeggen van uw abonnement vergeet? Vul het formulier in en ontvang gratis en automatisch een mailtje voor het ingaan van de opzegtermijn.
Hoe goed komt u van Greenchoice af?


(4x gewaardeerd)
Greenchoice
t.a.v. Opzeggen
Pieter de Hoochweg 111
3024 BG ROTTERDAM
Geen extra informatie gevonden bij dit abonnement. Plaats een opmerking om zelf informatie te verschaffen over:
Heeft u nog ideeen over abonnementen opzeggen of meer informatie over het opzeggen Greenchoice abonnement. Dan kunt u altijd contact opnemen met Abonnementen opzeggen
